Uitspraak Hoge Raad over notarieel verschoningsrecht
In een zaak waarin cliënt werd bijgestaan door Linda van der Hut heeft De Hoge Raad het cassatieberoep van het OM in de beklagzaken van niet-verdachte notarissen verworpen. De beslissing van de rechtbank tot gegrondverklaring van de klaagschriften is daarmee onherroepelijk. Het signaal dat hiervan uitgaat – het verschoningsrecht verdient bescherming – is helder en bijzonder actueel.
In een strafrechtelijk onderzoek tegen een notaris en zijn medewerker is in 2022 beslag gelegd op stukken waarin ook de namen voorkomen van twee niet-verdachte notarissen (klagers). Het gaat om ruim 6000 digitale gegevensbestanden. De rechter-commissaris (RC) heeft in 2023 beslist dat het openbaar ministerie (OM) mag kennisnemen van de gegevensbestanden/stukken. Namens deze niet-verdachte notarissen is een klaagschrift ingediend tegen deze RC-beschikking omdat het gaat om verschoningsgerechtigd materiaal. De rechtbank heeft de klaagschriften in 2024 ongegrond verklaard. Daartegen is cassatie ingesteld door klagers. De Hoge Raad vernietigde toen de beschikking van de rechtbank (HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290).
Na terugwijzing van deze zaak door de Hoge Raad heeft de rechtbank in 2025 het beklag ten aanzien van een aantal stukken gegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht van de klagers. De rechtbank heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat de datering van veel van de stukken waarop het verschoningsrecht rust, buiten de periode valt waarop de verdenking ziet in het strafrechtelijk onderzoek tegen de notaris en zijn medewerker. Door de geheimhoudersofficier van justitie is niet specifiek aangeduid wat de “directe link” is tussen die stukken en de verdenking in het strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank vond daarom dat er niet een zodanig verband bestaat tussen de stukken die onder het verschoningsrecht vallen en de verdenking dat een inbreuk op het verschoningsrecht van klagers noodzakelijk was.
Het OM heeft hiertegen cassatie ingesteld en o.a. geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van de klagers moet worden doorbroken.
Hoge Raad: deze klacht slaagt niet. De rechtbank heeft met haar oordeel – niet onbegrijpelijk – tot uitdrukking gebracht dat, wat betreft het belang van de waarheidsvinding, deze stukken niet in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De rechtbank heeft bij haar overwegingen verder nog betrokken dat de klagers in deze zaak zelf geen verdachte zijn en dat niet is komen vast te staan dat de relevante gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen. Het daarop voortbouwende oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding is juridisch correct en niet onbegrijpelijk.
Lees hier de uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1527&showbutton=true&keyword=25%252f02404&idx=1